Georgië ligt in de Kaukasus, met de Zwarte Zee in het westen. Het land grenst aan Rusland in het noorden, aan Turkije en Armenië in het zuiden en aan Azerbeidzjan in het zuidoosten. Langs de noordgrens loopt de Grote Kaukasus, met de Sjchara (5203 meter) als hoogste top van het land. Het Georgisch heeft een eigen alfabet, waarvan de drie schrijfsystemen sinds 2016 op de UNESCO-lijst van immaterieel erfgoed staan. In 337 maakte koning Mirian III het christendom tot staatsgodsdienst van het koninkrijk Iberia, en kerken en kloosters bepalen nog altijd het beeld van het land.
Hoofdstad Tbilisi ligt aan de Mtkvari en is voor de meeste reizigers het vertrekpunt. Twintig kilometer noordelijker ligt Mtscheta, de oude hoofdstad, met de kathedraal van Svetitschoveli en het klooster Jvari. Ten westen van Tbilisi liggen de rotsstad Uplistsiche, waarvan de oudste sporen van bewoning ruim drieduizend jaar oud zijn, en Gori, de geboorteplaats van Stalin.
In het oosten ligt Kacheti, de belangrijkste wijnstreek van Georgië, rond de vallei van de Alazani. Hier wordt nog wijn gemaakt in qvevri: eivormige aardewerken kruiken die in de grond worden ingegraven, waarin de most met schillen en pitten ongeveer een half jaar gist. Die methode staat sinds 2013 op de UNESCO-lijst van immaterieel erfgoed. Naar het noorden loopt de Georgische Militaire Weg van Tbilisi via het fort van Ananuri en de Jvari-pas op 2379 meter naar Stepantsminda, aan de voet van de Kazbek. Daar staat de Gergeti-Drievuldigheidskerk boven het dorp. Na de pas loopt de weg door de kloof van Dariali naar de grens met Rusland.

